door Emilie Vlieger

Zelforganisatie in de stad

Het informatietijdperk drijft ons tot een netwerksamenleving. Een samenleving die ons meer ruimte biedt voor zelforganisatie. Dankzij het internet vinden we immers gemakkelijker gelijkgestemden waardoor we minder afhankelijk zijn van instituties en overheden. Wat betekent deze zelforganisatie voor de stad? Op zoek naar een antwoord sprak Emilie Vlieger met professor Hans Boutellier, schrijver van het boek De improvisatiemaatschappij, Wiebe de Ridder, marktonderzoeker wonen en vastgoed en Alex Sievers, adviseur en ontwikkelaar van het leefstijlenmodel Soulife.

Zien we echt meer zelforganisatie?

Volgens Sievers wel. ´We kunnen niet anders. Het geld is op dus we moeten het wel zelf doen.’ De Ridder is sceptisch en voegt toe dat we wel bereidwillig moeten zijn om zelf te organiseren. Onze samenleving is nu nog ingericht op ‘de overheid doet alles voor je en hiervoor lever jij geld en vrijheid in’. Het gros van de mensen wil daarom een vergoeding voor hun bijdrage (want zo voelt het) voor de samenleving. Hij ziet toekomst in actief burgerschap waarbij we meer onbetaald werk doen zoals ruildiensten. Ook Sievers gelooft dat burgers steeds meer verantwoordelijkheid nemen voor hun woon- en leefomgeving. In zijn blog geeft hij inspirerende voorbeelden. Ook stelt hij dat burgers bij de ontwikkeling van kleinschalige projecten in de stad prima de rol van opdrachtgever kunnen vervullen. Zie ook soulife.nl


Hoe werkt zelforganisatie in de stad?

Zelforganisatie is geordender dan het lijkt. In het boek De improvisatiemaatschappij beschrijft Boutellier dat ordening ontstaat door incidenten, initiatieven en zwaartepunten. Vertaald naar zelfontwikkeling in de stad zijn incidenten bijvoorbeeld ‘kinderen die voetballen op een lege kavel’. Een voetbalteam dat er iedere zaterdag toernooitjes houdt en de ijscokraam die zijn kans schoon ziet, zijn de initiatieven. De voetbalvereniging die op deze plek een professioneel voetbalveld realiseert is het zwaartepunt: de hub waar alles samenkomt. Wanneer we meer programmatische ordening willen, moeten er opnieuw organisaties met een kernfunctie ontstaan. In dit geval kunnen we denken aan een organisatie die nauwe samenwerkt met bewoners en gebruikers: de coöperatieve ontwikkelaar en beheerder.

Is zelforganisatie voor iedereen weggelegd?

Iedere groep in de samenleving wordt op een andere manier gemotiveerd om mee te doen aan zelforganisatie en -ontwikkeling. Sievers en De Ridder zijn er van overtuigd dat wanneer we de focus leggen op de behoeften van de mensen, we ook kunnen begrijpen wanneer zij inzet zullen tonen en wat daar tegenover moet staan.

Vergroot het ook de verloren binding met de buurt?

Binding met de buurt is volgens Boutellier nooit weg geweest. In de jaren ’80 verklaarde het toenmalige tijdschrift Marge de buurt dood. Het tegendeel bleek waar. De buurt was en is een belangrijke eenheid waaraan mensen juist hun identiteit ontlenen. ‘Het herbergt het lichaam. Net zoals je huis’, zegt Boutellier. Hoewel het informatietijdperk ons veel diversiteit toont, waardoor het gemakkelijker is om een identiteit te ontplooien die niet plaatsgebonden is, zien we toch dat er een bepaalde coherentie nodig is. Een verankering op een plek. Een deel van de identiteit van de mens is wel divers en flexibel. Deze is bijvoorbeeld afhankelijk van de levensfase. Daarom zou het netwerk dat een individu kiest te gebruiken in zijn omgeving flexibel moeten zijn.

Op naar de coöperatieve ontwikkelaar

Als we de heren zo horen, zullen we geen samenleving krijgen waarin zelforganisatie die spontaan ontstaat de norm wordt. Een georganiseerde vorm blijft noodzakelijk. De coöperatieve ontwikkelaar en beheerder speelt hierop in en zal de huidige ontwikkelaars en corporaties vervangen. Hij biedt draagvlak voor zelforganisatie in de stad en zorgt er als buurtgebonden ontwikkelaar voor dat het individu flexibel kan blijven. We kunnen in- en uitstappen en krijgen een kader waarbinnen we ons organiseren en zelf (samen) ontwikkelen.

a

a

a

a

a